Ik ben een vieze casual En dat is helemaal niet erg5 minuten leestijd

Beau speelt avond na avond Overwatch, zowel met vrienden als onbekenden. Thijs koopt én speelt de ene na de andere game op zijn Nintendo Switch. Anna heeft zoals veel andere ouders last van chronisch vrijetijdsgebrek, maar dat weerhoudt haar er niet van om nog steeds fanatiek te gamen. En ik? Ik ben een “vieze casual”.

Meer gesproken verhalen horen? Abonneer je op onze podcast Laadscherm Voorgelezen

Het hoge woord is eruit. Ik ben iemand die alleen games speelt die voor de mainstream van de mainstream zijn – spellen bedoeld voor een groot publiek, met een lage instapdrempel en een moeilijkheidsgraad van likmevestje. Niet langer hoef ik me nog te verdedigen; ik ben wie ik ben en jullie hebben het er maar mee te doen.

Van jongs af aan

Als ik heel eerlijk ben, ben ik altijd al een onwijze casual geweest. Op mijn allereerste eigen console, de PlayStation, heb ik FIFA: Road to World Cup ‘98 letterlijk stuk gespeeld – het spel kwam op een gegeven moment niet meer voorbij het eerste laadscherm.

En als ik Driver speelde, hield ik het bij zolang mogelijk door de stad racen tot ik werd gepakt door de politie. In de tussentijd speelde mijn neef en goede vriend André, die mij min of meer heeft laten kennismaken met games, de ene na de andere game uit. Telkens als ik bij hem langsging liet hij weer de allernieuwste spellen zien. Spellen die ik zelf nooit zou gaan spelen.

Het is niet dat ik de games niet heb. Zeker voor mijn Xbox 360 heb ik zo’n zestig tot zeventig spellen gekocht, waarvan het grootste gedeelte onaangeraakt in een verhuisdoos is beland. Games voor latere consoles, zoals de Wii, Wii U en inmiddels ook de PlayStation 4, zijn hetzelfde lot beschoren.

Het aantal games dat ik dit decennium vrijwillig heb uitgespeeld – reviews her en der daargelaten – valt waarschijnlijk op één hand te tellen. Die door anderen oh zo geliefde PS4 is voor mij eerder een veredelde Netflix-machine.

Het gekste is nog wel dat ik de hele industrie rondom games al jaren op de voet volg. Sterker nog: ik vind dat waarschijnlijk leuker dan gamen zelf. Ook het praten over games die ik niet speel ben ik nog lang niet zat. Zolang ik ze maar niet allemaal hoef te spelen.

Daarmee ben ik een nogal vreemde eend in de diverse vriendengroepen waarvan ik deel uitmaak. Mijn vrienden zijn ook zo enthousiast over nieuwe games dat ze me telkens weer overhalen om dat ene spel toch maar aan te schaffen. Ik kreeg er zelfs één cadeau – inclusief de dagelijkse vraag wanneer ik eindelijk weer eens meespeel.

Maar dat deed ik niet, alle goede bedoelingen ten spijt. Hoe groter de druk, hoe kleiner de kans dat ik daadwerkelijk een game opstart.

Faalangst

Ik heb lang gedacht dat het aan een gebrek aan concentratie lag, of aan de onwil om nieuwe ervaringen te beleven. Maar dat is het niet. De oorzaak is iets waarvan ik nog steeds niet begrijp waarom ik het niet eerder heb beseft: mijn casual bestaan is een gevolg van faalangst.

Zoals ik in de brugklas in de stress schoot wanneer ik niet het hoogste cijfer van de klas had, zo stress ik als gamer wanneer ik niet op zijn minst meekan op het gemiddelde niveau van mijn medespelers.

Speel ik in mijn eentje, dan moet de instapdrempel superlaag zijn – ik wil niet om de haverklap een virtuele dood sterven en het gevoel hebben dat ik slecht ben in de game die ik speel.

Het resultaat? Net als in de rest van mijn leven bleef ik ook wat gamen betreft in oude, vertrouwde gewoonten hangen. Als ik al eens iets nieuws probeerde, moest het vooral niet te moeilijk zijn, want de kans op falen is er één die ik koste wat kost wil elimineren.

Eén van de schaarse uitzonderingen op de regel was Guitar Hero. Die game heeft voor mij alles wat ik als casual wensen kon; het concept is oersimpel, door de verschillende moeilijkheidsgraden is het instappen geen enkel probleem en vanwege de rustige leercurve slaagde ik erin nagenoeg alle nummers op Expert-niveau uit te spelen.

Tijdens verjaardagen en borrels bij vrienden thuis waren alle rollen plots omgedraaid; niet langer ontweek ik de controller, maar was ik juist degene die zich goed genoeg voelde om op te scheppen. Weliswaar met een plastic speelgoedgitaartje in mijn handen, maar toch. Er was hoop! In sommige dingen ben je goed, in andere minder. Dat geldt voor ons allemaal.

En nu?

Die realisatie dringt steeds dieper door tot mijn botte kop. Tijdens avondjes gamen ben ik niet meer zo bang om zelf die controller op te pakken. Wat maakt het uit als ik tijdens een potje Overcooked een flater sla? Het is maar een spelletje.

Ook heb ik een paar weekenden terug zowaar weer eens een spel uitgespeeld, What Remains of Edith Finch. Ik moest op sommige momenten zelfs een aantal traantjes wegpinken.

Wat betreft de grote, voor mij zelfs intimiderende spellen waar je makkelijk 100 uur in kwijt kunt; die zie ik mezelf voorlopig nog niet spelen. Daarvoor heb ik gelukkig een geschikt alternatief gevonden.

Dagenlang Zelda: Breath of the Wild-streams kijken is bijvoorbeeld een van mijn favoriete bezigheden geworden. Waar bijna iedere gamer die ik ken gruwelt van het idee om op die manier één van de beste games van de laatste jaren te beleven, was het voor mij i-de-aal.

En wie weet blijkt het wel het opstapje naar het daadwerkelijk spelen van dergelijke games – maar dat is iets voor later.

De belangrijkste les blijft dit: het maakt geen moer uit dat ik een zogenaamde casual ben. Hopelijk ebt de angst om te falen weg dankzij dat besef en keert de rust terug.

Als dat eenmaal de nieuwe status quo is geworden, kan ik eindelijk ook eens genieten van een moeilijke game als Bloodborne, of een lekker avondje Overwatch – ook al bak ik er geen ene pepernoot van.

Coverafbeelding door Iulian Valentin/Shutterstock
Deel dit verhaal: